Auteur: Ity Busstra

Samen spelen; het is niet zo eenvoudig en het gaat het ene kind wat gemakkelijker af dan het andere. Soms is het zelfs door het kind niet gewenst en wil het lekker op een rustig plekje in z’n eentje spelen. Observeer een groepje kinderen en je ziet een diversiteit aan spel en eigen manieren. 

Bij heel jonge kinderen is er nog geen sprake van samenspel. Als het kind opgroeit verandert dat en zie je het samen en toch alleen spelen bij peuters en jonge kleuters: ze spelen met elkaar op een plek, maar er is geen sprake van overleg of samenspel. Geruisloos gaan ze elk hun gang en spelen om elkaar heen, verdiept in hun eigen wereld. Bij het opgroeien van de kleuter zie je het echte samenspel ontstaan, het overleg en het samen handelen. Het spel is vaak in fantasievorm waarin alles mogelijk is en het ook niet altijd even soepel verloopt, want hoe krijg je wat jij graag wilt als de ander dat ook toevallig op hetzelfde moment wil. 

Samenspelen leer je door vallen en opstaan, oefenen in geduld en acceptatie dat het soms anders gaat dan jij had bedacht. Dat valt niet voor elk kind mee, soms zijn er innerlijk strakke lijnen die gevolgd moeten worden, ideeën die niet zomaar opgegeven kunnen worden, impulsen die opeens uitgevoerd moeten worden, waarbij de ander als hinderlijk ervaren wordt. Soms wil het kind liever alleen spelen, soms mag het niet meer meedoen, doordat het altijd dwars door alles heen gaat of vaak het spel verstoord zonder dat het daar notie van heeft. 

Marianne de Valck heeft in haar boek over spelen en speelgoed mooi uitgelicht welke types kinderen je kunt herkennen: de bouwer, de douwer, de rauwer en de schouwer. Zij schreef haar boeken gericht op speelgoed, maar als je kijkt bij het natuurlijk spelen kun je ook in het spel deze vier types kinderen herkennen. 

Bouwers houden van organiseren, hebben veel materialen nodig, bouwen van losse onderdelen hele werelden en hebben graag hulp hierbij. 

Douwers houden van ontdekken en uitvinden hoe de wereld in elkaar zit, focussen sterk op iets en willen het zelf doen. 

Rauwers houden van actie, van doen, van beweging, hebben ruimte nodig en willen graag constructiemateriaal om in elkaar te zetten. 

Schouwers spelen graag alleen, krijgen wel mee wat hun omgeving doet, maar bekijken de wereld met al hun zintuigen open, hebben geduld en zijn graag creatief bezig.

Spel verloopt altijd beter als er een diversiteit aan ervaringen is op te doen, waar elk kind zich toe uitgenodigd en aangetrokken voelt. Hier heeft Marianne de Valck een schijf van vijf voor omschreven en hoewel voor speelgoed bedoeld is het ook zo goed toepasbaar op een natuurlijke speelplek: creatief, cognitief, constructief, sociaal en motorisch. 

Creatief houdt in dat er veel los materiaal ligt waar kinderen mee bezig kunnen, waar ze iets van kunnen creëren of mee kunnen spelen.

Cognitief houdt in dat een kind zich uitgedaagd voelt, moet nadenken, oplossingen kan ontdekken, inzichten krijgt in hoe iets werkt of leert over dieren en planten.

Constructief is een opdracht vervullen, een doel bereiken, wellicht door samenspel een constructie in elkaar zetten waarmee het kan spelen, zoals een hut of een vlot bouwen.

Sociaal is het spel waarbij je de ander nodig hebt, zodat er samen wel iets lukt wat alleen niet kan, zoals water tegenhouden of een brug bouwen.

Motorisch is te verdelen in grove motoriek en fijne motoriek, het bewegen, rennen, tillen, klauteren, springen of het fijne spel waarbij het kind met de handen en vingers kleine dingen oppakt en neer legt, zoals diertjes, zand, takjes en steentjes.

Het is tijdens de ontwerpfase van een buitenruimte al fijn als er rekening wordt gehouden met deze vier soorten kinderen en hun behoeftes aan spelmateriaal en spelomgeving. Waar de een open ruimte nodig heeft, zoekt de ander de stille hoekjes uit het zicht, waar de een zich vermaakt met het kleine materiaal wil de ander het graag wat robuuster. Een uitnodigende omgeving heeft geen uitleg nodig.

Daarnaast is het wenselijk dat er rekening wordt gehouden met het feit dat niet alle kinderen zo gemakkelijk kunnen spelen doordat ze fysiek of mentaal een beperking hebben. Daardoor is het niet zo vanzelfsprekend dat ze de heuvel op kunnen klimmen, water kunnen pompen, de glijbaan af kunnen roetsjen, samen kunnen spelen, iets kleins op kunnen pakken of tussen andere kinderen in durven staan. Inclusiviteit zou daarom altijd mee moeten wegen bij nieuw aan te leggen speelnatuur. Dan spelen alle kinderen echt samen, elk op hun eigen manier.

Auteur: Ity Busstra